-
« Start
Pagina’s
-
Categorieën
-
Archief
Categorie Archieven: poëzie
Ze toont zich rauw
als een glijmiddel
Getooid met breinaalden
Haar loop bedriegt, trots
kneedt haar onderstroom het slib
waarop elke vraag genadeloos
op de klippen loopt,
hopend dat de getijden
niets zullen ontregelen
wat in haar bedding past.
Naar het schijnt kijkt zij enkel om
uit nieuwsgierigheid,
ververst ze lakens
om kabbelend tot rust te komen.
Er is altijd nog wel iets
te doen: een plooi glad te strijken,
een woord te schrappen, een zin
die niet klaar is voor het donker.
Of iets los te laten; een lijn
die lijf en leden volgt
tot ze onomkeerbaar raakt.
Ach, er is altijd nog wel iets
te doen, liefst heel dichtbij
en naakt, niets te verbergen
wat slaap onverteerbaar maakt.
Ik behandel hen met zachtheid
want ze vergalopperen zich,
hopend dat ‘t het leven loont
van wie hen zadelt.
Ik leg hen geen strobreed
in de weg, ‘k streel hun manen
totdat ze rustig worden.
Ik fluister hen de mooiste veulens toe
en laat ze steigeren. In mijn slaap
gaan nachtmerries eerder heen
dan dat ze afscheid nemen.
Zo helder zien we ‘t zelden: eerder
toevallig, bij het buigen van het hoofd
wanneer we ontstemmig staren naar
wat voor onze voeten verloren loopt.
Dat, wat eigenlijk de gewoonste zaak
ter wereld is, wordt vanuit de hoogte,
als op een onduidelijke wegenkaart,
een toevluchtsoord van kleur en vorm;
een nest zonder jong, verplaatsbaar
tot in alle hoeken van de kamer. Of hoe
een broeder meer dan zorgen baart.
Zo kwam de nacht over ons:
als versgebakken brood, als iets
dat we niet konden breken,
want te warm van woede.
Als een koppel stervende dieren,
elk op onze hoede, strooiden we
hongerige woorden in het rond.
Zo verscholen we onszelf
met een boos vertrouwen
in elkander, elk met schuim
en as om de mond.
|
|
De wereld, laat deze wereld lijden
|