Maandelijkse archieven: november 2007

En dit alles om haar vloed te weren;
wordt haar bodem verdicht
met trillende naalden
en bekleed met sluiers gruis,
 
waarop pijlers, zorgvuldig
bekist en gewapend
[de holle vorm met zand gevuld
 
tot brede basis en geheven kin],
die mist in noord en oost verdelen
als wachters om het tij te keren
met een eindeloos geduld.
  

  

Ze toont zich rauw
en naakt, onverteerbaar
als bloem gemengd
met ranzige boter,
  
als een glijmiddel
met kruimels, waardoor
de huid verbrandt.
  
Getooid met breinaalden
om engelen te maken
toont ze zich, onverbloemd,
als een geschenk voor niemand.
 
  
Haar loop bedriegt, trots
kneedt haar onderstroom het slib
waarop elke vraag genadeloos
op de klippen loopt,
 
hopend dat de getijden
niets zullen ontregelen
wat in haar bedding past. 
 
Naar het schijnt kijkt zij enkel om
uit nieuwsgierigheid,
ververst ze lakens
om kabbelend tot rust te komen.
 

  

Er is altijd nog wel iets
te doen: een plooi glad te strijken,
een woord te schrappen, een zin
die niet klaar is voor het donker.

 
Of iets los te laten; een lijn
die lijf en leden volgt
tot ze onomkeerbaar raakt.

 
Ach, er is altijd nog wel iets
te doen, liefst heel dichtbij
en naakt, niets te verbergen
wat slaap onverteerbaar maakt.

 
 

Ik behandel hen met zachtheid
want ze vergalopperen zich,
hopend dat ‘t het leven loont
van wie hen zadelt.
 
Ik leg hen geen strobreed
in de weg, ‘k streel hun manen
totdat ze rustig worden.

Ik fluister hen de mooiste veulens toe
en laat ze steigeren. In mijn slaap
gaan nachtmerries eerder heen
dan dat ze afscheid nemen.
 

 
Zo helder zien we ‘t zelden: eerder
toevallig, bij het buigen van het hoofd
wanneer we ontstemmig staren naar
wat voor onze voeten verloren loopt.
 
Dat, wat eigenlijk de gewoonste zaak
ter wereld is, wordt vanuit de hoogte,
als op een onduidelijke wegenkaart,
 
een toevluchtsoord van kleur en vorm;
een nest zonder jong, verplaatsbaar
tot in alle hoeken van de kamer. Of hoe
een broeder meer dan zorgen baart.
 
 
Zo kwam de nacht over ons:
als versgebakken brood, als iets
dat we niet konden breken,
want te warm van woede.
   
Als een koppel stervende dieren,
elk op onze hoede, strooiden we
hongerige woorden in het rond.
 
Zo verscholen we onszelf
met een boos vertrouwen
in elkander, elk met schuim
en as om de mond.
 
 
(waarschuwing op een pakje tabak)
 
De wereld, laat deze wereld lijden
aan de ziekte der geleerden:
zij, die na de ontlasting
de handen wassen in onschuld
 
en, als alles om zeep is
wat bijverdienen met het grossieren
in één of andere therapie.
 
Alleen de namen van grote rokers
leven voort: ze vertrouwen op hun adem
wijl hun longen weigeren
het volmaakte na te praten.
 
 
 

Hoogste tijd om plaats te ruimen,
te vergeten wat men denkt
te zien en onderscheid te maken
tussen schaduw en een diepe slaap.