Na zoveel hitte wordt
een offer ongeloofwaardig,
een breuk meelijwekkend,
van passie rest de as.
Laag na laag bedekt de navel
wat na al die jaren staren
onder ‘n korst bedolven was.
Zoals bij ‘t schillen van een vrucht
de kern klinkt als ‘n vertrouwd geluid,
zonder fatsoen maar onvermijdelijk,
zo rommelt het in m’n buik.
Een spoor nalaten,
een afdruk op de huid
en dan het vel omdraaien
in fragmenten, het geloof
dat vlakken, lijnen
ook wel naden, vooral
tekens kunnen worden.
Wat gehuld is, wordt ontbloot
met de nieuwsgierigheid naar
wat zich onderhuids, niet geheel
onverwacht, laat vormen.
Zoveel offers, zoveel zoenen
die, in de juiste verhouding
en onwillekeurig in zichzelf
gekeerd, de schijn bewaren.
Is alles ijdelheid? Naar ‘t schijnt
is elk teveel aan goedgelovigheid
dodelijk. Uiteindelijk
wordt alles giftig, alles
wat zich tussen de regels
voortplant, maar niets anders
baart buiten zichzelf.
Dus, dit is zo’n onooglijk
beloken doosje, waar-
in al dat geestige
droef besloten ligt
in schuifjes; één
waarin een zucht
amper wordt gehoord,
één waarvoor de wachters
niet worden beloond, een derde
waarin een ver verlangen
op de proef gesteld.