Laat ons even navelstaren,
mijmeren over zachte rondingen. Niet
over strakke curven die zich krullen
volgens de regels der goniometrie,
 
maar over weerloze glooiingen
die, als het even kon, niet aan
zichzelf herinnerd willen worden.
 
Gewenning is een flauw excuus om hen
niet met overgave te kneden, om hen
er niet van te overtuigen dat zij uit-
eindelijk de oorsprong van de wereld zijn.
 
 

Na zoveel hitte wordt
een offer ongeloofwaardig,
een breuk meelijwekkend,
van passie rest de as.
 
Laag na laag bedekt de navel
wat na al die jaren staren
onder ‘n korst bedolven was.
 
Zoals bij ‘t schillen van een vrucht
de kern klinkt als ‘n vertrouwd geluid,
zonder fatsoen maar onvermijdelijk,
zo rommelt het in m’n buik.
 
 
Een spoor nalaten,
een afdruk op de huid
en dan het vel omdraaien
in fragmenten, het geloof
 
dat vlakken, lijnen
ook wel naden, vooral
tekens kunnen worden.
 
Wat gehuld is, wordt ontbloot
met de nieuwsgierigheid naar
wat zich onderhuids, niet geheel
onverwacht, laat vormen.
 
 
Zoveel offers, zoveel zoenen
die, in de juiste verhouding
en onwillekeurig in zichzelf
gekeerd, de schijn bewaren.
 
Is alles ijdelheid? Naar ‘t schijnt
is elk teveel aan goedgelovigheid
dodelijk. Uiteindelijk
 
wordt alles giftig, alles
wat zich tussen de regels
voortplant, maar niets anders
baart buiten zichzelf.
 
 
 
Meubelen heb je in alle maten en gezindten,
in alle vormen van troosteloosheid.
Neem het bijzettafeltje:
is grrag in voornaam gezelschap,
 
Haar ijdelheid is al gestreeld wanneer
ze uit behaagzieke overwegingen
het feest met het salon mag delen.
 
Als het bezoek vertrokken is,
laat ze zich heel gedwee
opstapelen of wegbergen
tot de volgende invité.
 
 

Slaap, slaper, slaapst
en laat dit het laatste zijn
wat we in huis hebben.
Slaap, slaap nu zacht
 
en laat dit het eerlijkste
zijn wat we in jaren
kunnen verdragen
 
zonder de hardhorigheid die
oude geliefden mekaar vergeven,
zonder de ander te verliezen
in zwijgen met open mond.
 
 

In elk bezit een ander,
op elke kust de kapers
die sprakeloos naderen,
weten wat zwijgen is.
  
Geen onvertogen woord,
geen kritiek noch vergelijk
waarmee ze bakzeil halen.
  
In elk bezit de ander,
op elke kust een kaper
die roerloos neemt
wat stuurloos is.
  
  
‘t Maakt de goden dorstig:
een zoetgeparfumeerde hals,
een fooi voor jongens
met striemen op de rug.
  
Tot zijn hebben wordt en
huid, vol van heimwee,
zich moeizaam keert in rouw.
  
‘t Zijn oude meesters
met een rimpelloos geheugen,
die het licht achterna hollen en
ontwaken naast een jonge vrouw.
  
  
Dus, dit is zo’n onooglijk
beloken doosje, waar-
in al dat geestige
droef besloten ligt
 
in schuifjes; één
waarin een zucht
amper wordt gehoord,
 
één waarvoor de wachters
niet worden beloond, een derde
waarin een ver verlangen
op de proef gesteld.
 
 
En dit alles om haar vloed te weren;
wordt haar bodem verdicht
met trillende naalden
en bekleed met sluiers gruis,
 
waarop pijlers, zorgvuldig
bekist en gewapend
[de holle vorm met zand gevuld
 
tot brede basis en geheven kin],
die mist in noord en oost verdelen
als wachters om het tij te keren
met een eindeloos geduld.